Onderstaande tekst is de tekst zoals in de vastgestelde kadernota 2027-2030 is opgenomen.
Uit de kadernota 2027-2030
De Beleids- en financiële begroting 2027-2030 wordt gebaseerd op de beleids- en financiële begroting 2026-2029 inclusief de begrotingswijzigingen 2026 tot en met 10 juli. De in deze kadernota 2027-2030 opgenomen financiële mutaties op het gebied van autonome en noodzakelijke ontwikkelingen worden opgenomen als begrotingswijziging in 2026. De effecten van de meicirculaire 2026 worden opgenomen in deze begroting 2027-2030. De gepresenteerde wensen in de kadernota zijn slechts informatief en worden voorgelegd bij de begrotingsbehandeling (1e begrotingswijziging).
Ten aanzien van de begrotingsrichtlijnen voor 2026 zijn de volgende aanpassingen gedaan in de kadernota 2027:
- Het verwerken van de kadernota als begrotingswijziging
- Indexatie op basis van de augustusraming van het CPB
- Uitwerking methodiek verwerking circulaires
Loonkostenontwikkeling gemeentepersoneel
In de begroting 2027-2030 moet rekening worden gehouden met de ontwikkelingen in de Cao Gemeenten én ontwikkelingen met betrekking tot de sociale lasten en de werkgeverpremies. De huidige Cao Gemeenten loopt door tot 1 april 2027. Op basis van recent afgesloten CAO’s in andere sectoren, bestaat de verwachting dat per 1 januari 2027 opnieuw rekening gehouden moet worden met een stijging van 3% van de loonsom. Net zoals in de afgelopen jaren wordt voor 2027 geen stijging van de werkgeverpremies verwacht. De loonkosten van het gemeentepersoneel worden gebaseerd op de vastgestelde formatie en de feitelijke loonkosten én rekening houdend met genomen besluiten met rechtspositionele consequenties.
Prijsmutatie (algemeen)
Voor 2027 werd in maart de prijsontwikkeling en daarmee de indexering ingeschat op 2,1% met een
aanvullende 0,6%-punt vanwege de ontwikkelingen in het Midden-Oosten. Deze indexering is conform bestaand beleid gebaseerd op het Indexcijfer voor Materiële OverheidsConsumptie (IMOC), zoals opgenomen in het Centraal Economisch Plan (CEP 2025) van het Centraal Planbureau dat in maart 2026 is gepubliceerd. De huidige situatie is echter anders, waarbij de inflatie sterk is opgelopen en het meerjarig effect onduidelijk is.
Gelet op de financiële positie van de gemeente wordt al jaren de nullijn gehanteerd op werkbudgetten, met uitzondering van indexaties door contractuele afspraken. Ook geldt voor subsidies aan primaire voorzieningen een prijsindexatie (zie hieronder). De meerjarenraming wordt opgesteld op basis van constante prijzen. Dit betekent dat de meerjarenraming wordt gebaseerd op het prijsniveau van het begrotingsjaar en er in latere jaren geen verdere prijsindexatie wordt toegepast.
Loonkosten- prijsmutatie professionele welzijnsinstellingen
Voor compensatie van de loonkostenmutatie van primaire voorzieningen gelden de landelijke richtlijnen voor de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkelingen (OVA). Deze index wordt door de Nederlandse Zorgautoriteit gepubliceerd. Voor 2027 is het indexcijfer voorlopig 3,96%. Enkele partijen hebben echter te maken met hogere loonontwikkeling in de cao Sociaal Werk ten opzichte van de OVA-index. Onder noodzakelijke ontwikkelingen is een bedrag opgenomen om de subsidies aan partijen die hiermee te maken hebben te verhogen vanwege deze onvermijdelijke ontwikkeling. Dit om ervoor te zorgen dat het niet ten koste gaat van de inhoudelijke inzet.
Bij de structurele subsidies aan instellingen voor primaire voorzieningen geldt een standaard prijsindexatie op het materiële deel van de subsidie van 2%, tenzij per subsidieonderdeel het materiële deel van de subsidies boven de € 50.000 is, dan geldt de ontwikkeling van het CPI als leidend. Voor 2027 wordt daarvoor nu een percentage van 2,7% gebruikt op basis van de raming van het CPB. Voor overige verstrekte subsidies geldt vooralsnog dat er geen indexatie wordt toegepast.
Bijdrage aan gemeenschappelijke regelingen en samenwerkingsverbanden
Er wordt uitgegaan van de door de gemeenschappelijk regelingen/samenwerkingsverbanden laatst
vastgestelde (meerjaren)begroting (2026 of 2027) en de wijzigingen daarop op basis van de door de
samenwerkingsverbanden vastgestelde begrotingswijzigingen, tenzij er andere afspraken zijn gemaakt. Eventuele financiële consequenties van besluitvorming door de regio (waaronder DOWR-bedrijfsvoering) die buiten het genoemde kader vallen worden afzonderlijk gemeld bij de behandeling van de Beleids- en financiële begroting 2027-2030.
Algemene heffingen
A. Gemeentelijke belastingen (algemene middelen)
a. Onroerendezaakbelastingen
Eigenarenbelasting woningen en eigenaren- en gebruikersbelasting niet-woningen
Voor 2027 wordt voorgesteld de opbrengst te verhogen met het percentage IMOC dat in de zomer van 2026 door het CPB wordt gepubliceerd in de cMEV, om rekening te kunnen houden met extra inflatie vanwege de situatie in het Midden-Oosten.
b. Toeristenbelasting
De toeristenbelasting blijft € 1,50 per persoon per overnachting.
c. Forensenbelasting
Voor de tarieven uit de forensenbelasting wordt dezelfde indexatie gehanteerd als voor de OZB.
B. Heffingen en rechten
a. Rioolheffing
Het uitgangspunt in het Gemeentelijke Rioleringsplan 2022-2028 van Olst-Wijhe is dat de heffing 100% kostendekkend is voor de totale kosten voor de rioleringszorg.
b. Afvalstoffenheffing
De tarieven worden gebaseerd op de meest actuele ramingen voor het verzamelen en verwerken van afval. Het uitgangspunt is dat de tarieven 100% kostendekkend zijn.
c. Overige leges, rechten en tarieven
Voor overige leges, rechten en tarieven voor gemeenschapsvoorzieningen hanteren we voor 2027 een stijgingspercentage ter hoogte van het IMOC dat in de zomer 2026 door het CPB wordt gepubliceerd in de cMEV, om rekening te kunnen houden met extra inflatie vanwege de situatie in het Midden-Oosten.
Rentepercentages
Voor de wijze van toerekening van rente gelden voorschriften. Sinds begrotingjaar 2026 moet zowel
aan investeringen als grondexploitaties dezelfde rente worden toegerekend. Op grond van de notitie
rente van de commissie BBV moeten de rentekosten aan de desbetreffende taakvelden worden
toegerekend met behulp van een renteomslag die binnen een marge van 0,5%-punt mag worden
afgerond.
In de begroting 2026 werd rekening gehouden met een kortgeldrente van 2,5% en een renteomslag
van 2%. De ontwikkeling van de rente is sterk afhankelijk van de verwachte inflatie en fluctueert
vanwege de macro-economische ontwikkelingen. Deze berekeningen worden bij het voorbereiden
van de begroting 2027 geactualiseerd aan de hand van geactualiseerde begrotingscijfers over 2027
en monetaire ontwikkelingen.
Aan voorzieningen die op contante waarde zijn gewaardeerd wordt rente toegevoegd gelijk aan het percentage waarmee de voorzieningen contant zijn gemaakt.
Voor rentebijschrijving aan de reserves wordt het hiervoor benoemde Indexcijfer 2027 voor Materiele OverheidsConsumptie (IMOC) aangehouden 2,7% gehanteerd. Omdat deze berekening invloed heeft op de renteomslag die dan al is bepaald, wordt hiervoor niet afgewacht op de cMEV van het CPB.
Circulaires
Om helderheid te scheppen over de omgang met aanvullende middelen vanuit de rijksoverheid via de
circulaires worden onderstaande regels gehanteerd. Deze sluiten aan op de uitgangspunten van de
financiële verordening.
Voor nieuwe taken wordt er een uitgavenbudget toegekend gelijk aan het ontvangen bedrag voor die
taak als het bedrag onder de € 50.000 is. De technische verwerking gaat via een begrotingswijziging
via de P&C-cyclus. Als het bedrag hoger is dan € 50.000, stelt het college aan de raad voor hoe deze
middelen in te zetten.
Bijstellingen op specifieke taken vanwege loon-, prijs- en volumeontwikkelingen worden toegevoegd
aan het bestaande budget van die taken. De technische verwerking gaat via een begrotingswijziging
via de P&C-cyclus.
Voor overige bijstellingen op bestaande taken wordt het uitgavenbudget van de taak verhoogd als de
bijstelling onder de € 50.000 ligt. De technische verwerking gaat via een begrotingswijziging via de
P&C-cyclus. Als de bijstelling boven de € 50.000 ligt, stelt het college aan de raad voor hoe deze
middelen in te zetten